Aandacht voor het buitengebied
vrijdag, november 19th, 2010November is de maand van de beleidsverklaringen van de gedeputeerden van de provincie Limburg. Elke gedeputeerde licht zijn plannen en acties toe voor de provincieraad en antwoordt op vragen van de raadsleden. Op 18 november nam gedeputeerde Walter Cremers het woord over de beleidsdomeinen Sport, Ruimtelijke Ordening, Mobiliteit, … Provincieraadslid Raf Truyens vroeg meer aandacht voor het ‘buitengebied’. Hierna leest u zijn tussenkomst.
Ruimtelijke Ordening – vraag over gebiedsgericht beleid
In de beleidsverklaring lees ik dat het gebiedsgericht beleid van de deputatie handelt over “strategische ruimten die een fundamentele impact hebben op de ruimtelijke structuur” en dat “voor deze gebieden een specifiek plan wordt ontworpen dat het beleid, de ontwikkelingsmogelijkheden en het actieprogramma bepaalt”. Daarna blijkt dat u het heeft over het beleid, de ontwikkelingsmogelijkheden en het actieprogramma van verstedelijkte gebieden.
Bij de ontwikkeling van deze specifieke plannen heb ik de idee dat de potentie van stedelijk en kleinstedelijk gebied an sich bekeken wordt en vooral dat beleid, ontwikkelingsmogelijkheden en actieprogramma’s worden geschapen indifferent van het omliggende buitengebied. Ik pleit er al langer voor om de blik te verbreden en ook de input van het buitengebied op de verstedelijkte omgeving te erkennen en te valoriseren. “Welke eco-diensten levert het platteland aan de stad?”; “Hoe kan het buitengebied, ook in functie van stedelijke ontwikkelingen, vitaler en dynamischer worden?”, zijn vragen die nog te weinig antwoorden kregen. Ze passen binnen de algemenere vraag naar de opportuniteitskost, of beter de concurrentiekracht van de groene ruimte.
Inspanningen om noden aan ruimte voor wonen en werken in Vlaanderen en Limburg beter in te vullen en te organiseren zijn noodzakelijk. In die zin zijn de plannen van de gedeputeerde goed. Ik pleit er alleen voor om de waarde van de open ruimte te erkennen en te ondersteunen en peil achter de visie van de gedeputeerde.
Hierbij zou ik van de gelegenheid gebruik willen maken om nog enkele specifiekere pijnpunten aan te halen.
Bouwberoepen
De bouwberoepen op het vlak van ruimtelijke ordening geven natuurlijk aanleiding tot heel wat casuïstiek en besprekingen van casussen in het kader van een algemene beleidsverklaring zou niet opportuun zijn. Toch zou ik – bij wijze van bedenking – een probleem willen aankaarten dat zich situeert op het raakvlaak van stedenbouw- bouwberoepen enerzijds en onroerend erfgoed anderzijds.
Hechtel-Eksel beschikt nog over heel wat mooie historische panden in de centra van beide dorpen. Vooral Eksel heeft nog heel wat teutenhuizen, burgerswoningen en authentieke hoeves. Ondanks de onbetwiste erfgoedwaarde worden ze niet geklasseerd omdat Vlaanderen er blijkbaar niet in slaagt om een krachtdadig monumentenbeleid te voeren. Nochtans hebben ze geen groenboek nodig om daar de volheid van bevoegdheid in te dragen.
Het is eigen aan het tijdvak waarin ze zijn opgericht dat die gebouwen heel wat ruimte innemen. Sinds enkele jaren stel ik vast dat – wellicht door de maatschappelijke vraag om de kernen van buitengebiedgemeenten verder te verdichten – projecontwikkelaars die gebouwen in het vizier krijgen, en vooral de gronden waarop ze gesitueerd zijn. Sloopvergunningen worden aangevraagd en aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen voor appartementsgebouwen komen in de plaats.
Ons bestuur wil zeker de als waardevol getypeerde en geïnventariseerde gebouwen graag behouden en voert een vrij stringent beleid in functie van behoud van ons patrimonium, in functie van het behoud van de ‘ziel van een dorp’. Het begrip ‘schoonheid’ operationaliseren in een stedenbouwkundig beleid is niet gemakkelijk, maar een bestuur dat zijn nek uitsteekt voor zijn cultureel erfgoed verdient ook bij de behandeling van beroepsdossiers een gerichte benadering. Ik wil die zoals in de beleidsverklaring ook graag ‘oplossingsgericht’ noemen.
Groene ruimte beschermen, versterken en beheren
Ik lees dat de deputatie overweegt om een groen-norm op te leggen in verkavelingen. Daarmee wil men méér groene publieke ruimte voorzien. Graag zou ik van de gedeputeerde vernemen of hij hier ook voor een gebiedsgerichte benadering staat, en op welke wijze hij anticipeert op de stijgende kosten van onderhoud van groene publieke ruimten.
Bedrijventerreinen, toerisme en recreatie…: economisch profiel verbreden en differentiëren
Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen creëert de mogelijkheid om lokale bedrijventerreinen in buitengebiedgemeenten uit te breiden en ook om ruimte te voorzien voor opstartende bedrijven. Hiervoor is een vertaalslag nodig in het Provinciaal Structuurplan. Kan de gedeputeerde nu al een tip van de sluier lichten en inzicht geven op welke wijze hij de economische mogelijkheden van buitengebiedgemeenten wil kaderen in de toekomst?
